onderzoek
Nieuwe cohortstudie: autistische meisjes krijgen minder snel puberteitsremmers — ondanks zwaardere psychische problematiek
Een Israëlische cohortstudie onder 786 jongeren op een nationale genderkliniek vindt dat autistische meisjes beduidend minder vaak puberteitsremmers of hormonen krijgen dan hun niet-autistische leeftijdgenoten, terwijl autistische jongeren juist vaker kampen met angst, ADHD en medicatiegebruik. De onderzoekers noemen dit een ongelijkheid die opgelost moet worden met 'autisme-vriendelijke' protocollen — maar is meer toegang wel de juiste conclusie?

Een nieuwe Israëlische cohortstudie, gepubliceerd in het vakblad Autism Research, onderzocht de dossiers van 786 kinderen en jongeren (4 tot 19 jaar) die tussen 2013 en 2025 werden verwezen naar een nationale genderkliniek. Bij 9,7 procent van hen was ook autisme (ASS) vastgesteld — en het aandeel autistische jongeren in de verwijzingen nam de afgelopen jaren toe. Onderzoeksleider Topaz en collega's keken vervolgens naar iets dat in eerdere studies onderbelicht bleef: wat betekent die dubbele diagnose voor de toegang tot medische transitiezorg?
Wat de cijfers laten zien
De belangrijkste bevinding is opmerkelijk. Autistische jongeren die bij geboorte als meisje waren geregistreerd (AFAB) begonnen beduidend minder vaak aan puberteitsremmers of geslachtshormonen dan hun niet-autistische leeftijdgenoten — en dat terwijl beide groepen op vergelijkbare leeftijd bij de kliniek werden aangemeld en dezelfde 'mijlpalen' in hun gendertraject doormaakten. Met andere woorden: autistische meisjes stonden even ver in hun traject, maar kregen minder vaak groen licht voor medische stappen.
Tegelijk vond de studie dat autisme samenhing met een duidelijk zwaardere psychiatrische voorgeschiedenis: hogere percentages angststoornissen, ADHD en gebruik van psychofarmaca, ongeacht geslacht. Dat komt overeen met eerdere bevindingen, onder meer uit de Zweedse SKDS-studie, die al liet zien dat autisme sterk oververtegenwoordigd is bij mensen met genderdysforie.
De conclusie van de onderzoekers — en het probleem daarmee
Topaz en collega's noemen hun bevinding een 'disparity between developmental synchrony and clinical access': een kloof tussen de ontwikkelingsfase van de jongere en de zorg die hij of zij krijgt. Hun aanbeveling is dat klinieken 'autisme-geïnformeerde protocollen' moeten ontwikkelen om deze jongeren gelijke toegang tot hormonale behandeling te geven.
Die stap van bevinding naar aanbeveling verdient een kritische blik. De studie toont een correlatie — autistische meisjes krijgen minder vaak hormonen — maar geen bewijs dat dit een onterechte achterstelling is. Minstens zo aannemelijk is de omgekeerde lezing: clinici zien bij autistische meisjes vaker signalen die om behoedzaamheid vragen, zoals overprikkeling, sociale angst, kliniek-specifieke communicatieproblemen of identiteitsvragen die samenhangen met autisme zelf in plaats van met genderdysforie. Terughoudendheid is dan geen achterstelling maar zorgvuldigheid — precies wat je zou willen bij een groep waarvan bekend is dat zij structureel meer psychiatrische comorbiditeit heeft.
Dat onderscheid — tussen 'ongelijke toegang' en 'passende voorzichtigheid' — wordt in het onderzoek zelf niet gemaakt. De auteurs signaleren de kloof, maar onderzochten niet wat er inhoudelijk speelde in de gesprekken die tot uitstel leidden. Zonder dat onderscheid is 'meer autisme-vriendelijke toegang tot hormonen' een politieke aanbeveling die net zo goed kan leiden tot méér in plaats van beter afgewogen medicalisering van een kwetsbare groep.
Waarom dit meer om zorgvuldige diagnostiek vraagt, niet om snellere toegang
Voor genderautisme.nl is dit een terugkerend patroon: onderzoek dat de oververtegenwoordiging van autisme in genderklinieken bevestigt, gevolgd door een aanbeveling om de toegang tot medische transitie te vergroten in plaats van de diagnostiek te verdiepen. Zoals eerder besproken bij de effecten van puberteitsremmers bij autistische jongeren, is juist bij deze groep extra behoedzaamheid geboden: autistische jongeren hebben vaker moeite met het onderscheiden van lichamelijke onvrede, sensorische ongemakken en sociale druk — factoren die een zorgvuldige differentiaaldiagnose vereisen voordat aan onomkeerbare stappen wordt gedacht. Een overzicht van wat bekend is over die diagnostische opgave staat op de pagina Onderzoek en cijfers van deze site.
Ook op transgenderidentiteit.nl is te lezen hoe genderklinieken deze oververtegenwoordiging structureel onderbelicht laten — een patroon dat deze nieuwe studie eerder bevestigt dan doorbreekt.
Bronnen
Topaz E. e.a., "Autism Spectrum Disorder Among Gender-Diverse Children and Adolescents: A National Cohort Study", Autism Research, 2026. Samenvatting en publicatiegegevens via PubMed (PMID 41873702).

Nienke Vogelaar
Redactie
Topaz e.a.
Onafhankelijke redactie die peer-reviewed onderzoek, systematische reviews en officiële rapporten toegankelijk samenvat. Informatief, geen medisch advies. Laatst bijgewerkt op 28 september 2026.
Veelgestelde vragen
Korte antwoorden op de vragen die het vaakst terugkomen.