Onderzoek & cijfers
Zweedse SKDS-studie: autisme sterk oververtegenwoordigd bij genderdysforie — maar niet gekoppeld aan genderincongruentie
De Swedish Gender Dysphoria Study vindt een bijna achtvoudig verhoogd risico op autisme bij mensen met genderdysforie. Opvallend: binnen die groep hangt een autismediagnose niet samen met de mate van genderincongruentie.

Dat autisme en genderdysforie vaker samen voorkomen dan in de algemene bevolking, is in eerder onderzoek al gemeld; de auteurs van de hier besproken studie wijzen daarbij zelf op tegenstrijdige uitkomsten en methodologische beperkingen in die literatuur. Een publicatie uit de Swedish Gender Dysphoria Study (SKDS), in 2025 verschenen in het vakblad Psychiatry Research, onderzoekt dat verband met diagnoses uit de patiëntregisters, twee vragenlijsten en een cisgender controlegroep (bron) — en voegt er een nuance aan toe.
Wat de SKDS deed
De onderzoekers vergeleken 372 deelnemers van 15 jaar en ouder die in contact stonden met een van zes gespecialiseerde Zweedse genderklinieken met 332 cisgender deelnemers, gematcht op leeftijd en regio. De eerste groep heet in het artikel "deelnemers met genderdysforie", maar niet iedereen had bij de meting al een diagnose: deelnemers stroomden in op verschillende momenten van hun diagnostisch traject (bron). Autismediagnoses werden niet via zelfrapportage verzameld, maar opgehaald uit de Zweedse landelijke patiëntregisters over 2010 tot en met 2023, voor de deelnemers die daarvoor toestemming gaven (88,2 procent van de groep met genderdysforie en 82,8 procent van de controlegroep). De auteurs merken op dat registers diagnoses kunnen missen, bijvoorbeeld bij mensen die later naar Zweden zijn verhuisd. Daarnaast vulden deelnemers twee screeningsvragenlijsten voor autistische kenmerken in: de RAADS-14 en de Autism Spectrum Quotient (AQ). De mate van genderincongruentie werd gemeten met de Transgender Congruence Scale. Het gaat om een dwarsdoorsnede: alle metingen komen uit de eerste beoordeling.
De cijfers: een bijna achtvoudig risico
Van de deelnemers met genderdysforie had 23,2 procent een autismediagnose in het register, tegenover 3,0 procent van de cisgender controlegroep. Dat komt neer op een ongecorrigeerd relatief risico van 7,8 (95%-betrouwbaarheidsinterval 3,9–15,3), ongeacht het bij geboorte toegewezen geslacht (bron).
Ook op de vragenlijsten scoorde de groep met genderdysforie hoger: een gemiddeld verschil van 8,0 punten (95%-BI 6,6–9,6) op de RAADS-14 en 5,3 punten (95%-BI 4,0–6,6) op de AQ. Binnen de groep met genderdysforie scoorden mensen die bij geboorte als meisje waren aangewezen hoger op autistische kenmerken dan mensen die als jongen waren aangewezen (gemiddeld 5,1 punten op de RAADS-14 en 3,9 punten op de AQ). Het aandeel met een autismediagnose verschilde daarentegen niet significant tussen beide groepen: 24,4 tegenover 21,5 procent. Bij deelnemers die bij geboorte als jongen waren aangewezen was het verschil met de controlegroep op de totale AQ-score niet significant. De auteurs tekenen hierbij aan dat screeningsinstrumenten voor autisme vooral met mannen in gedachten zijn ontwikkeld en bij vergelijkingen tussen de seksen een vertekend beeld kunnen geven (bron).
De nuance die het verschil maakt
Het meest onderscheidende resultaat van deze studie zit niet in de omvang van het verband, maar in waar het verband grotendeels ontbreekt. Binnen de groep deelnemers met genderdysforie vonden de onderzoekers geen samenhang tussen een autismediagnose en de zelfgerapporteerde mate van genderincongruentie, gemeten op twee subschalen: overeenstemming van het uiterlijk met de eigen genderidentiteit en acceptatie van de genderidentiteit. Voor de RAADS-14 verdween de samenhang na correctie voor geslacht, leeftijd en opleiding. Alleen hogere AQ-scores hingen ook na correctie samen met meer incongruentie rond het uiterlijk; de auteurs noemen de AQ minder gevoelig en sluiten niet uit dat angst of verwante factoren hier meespelen. De autismevariabelen verklaarden hooguit 1,2 procentpunt extra van de variatie in genderincongruentie (bron).
De auteurs concluderen dat hun resultaten het vaak samen voorkomen van autisme en genderdysforie bevestigen, maar geen steun bieden voor het idee dat genderdysforie en verwante klachten uitingen van autisme zijn: in dat geval zou je een samenhang met genderincongruentie verwachten. Over oorzaken doet de studie geen uitspraak. Het onderzoek was daar niet op gericht, het is een dwarsdoorsnede, en de genderidentiteit van deelnemers kon door veel ontbrekende gegevens niet in de analyse worden meegenomen.
Wat dit betekent voor de praktijk
De studie zelf doet geen aanbevelingen voor de klinische praktijk. Als sterke punten noemen de auteurs dat zij registerdiagnoses en twee screeningsinstrumenten naast elkaar gebruikten en een cisgender controlegroep hadden, die in veel eerder onderzoek ontbreekt. Wat ons betreft is de praktische les tweeledig. Ten eerste: als in deze studie bijna een kwart van de deelnemers uit de genderklinieken een autismediagnose heeft, is het uitvragen van autistische kenmerken geen overbodige stap. Ten tweede waarschuwt de bevinding over genderincongruentie tegen te snelle causale verhalen in beide richtingen: noch "het is eigenlijk autisme", noch "de samenhang is toeval" doet recht aan wat de cijfers laten zien. Dat is voor ons een reden voor brede, geduldige diagnostiek, niet voor een kant-en-klaar antwoord.
Bronnen
- Özel, F., White, R.A., Clark, K.D., Indremo, M., Zejlon, I., Rüegg, J., Papadopoulos, F.C. (2025). Associations between autism, gender dysphoria and gender incongruence: insights from the Swedish Gender Dysphoria Study (SKDS). Psychiatry Research, 351, 116591. Europe PMC · volledige tekst
- Warrier, V., et al. (2020). Elevated rates of autism, other neurodevelopmental and psychiatric diagnoses, and autistic traits in transgender and gender-diverse individuals. Nature Communications, 11, 3959. PMC

Nienke Vogelaar
Redactie
Redactie Genderautisme.nl
Onafhankelijke redactie die peer-reviewed onderzoek, systematische reviews en officiële rapporten toegankelijk samenvat. Informatief, geen medisch advies. Laatst bijgewerkt op 21 augustus 2026.
Veelgestelde vragen
Korte antwoorden op de vragen die het vaakst terugkomen.
Meer over Onderzoek & cijfers

Onderzoek & cijfers
Grote Amerikaanse studie naar autisme en genderdysforie: vakcommentaar plaatst kanttekeningen
Een Amerikaanse studie onder ruim 750.000 jongeren bevestigt de samenhang tussen autisme en genderdysforie en vindt bij jongeren met beide diagnoses vaker depressie, angst en suïcidaliteit. Een begeleidend vakcommentaar noemt de studie waardevol, maar wijst op de grenzen van dossierdata en op het ontbreken van longitudinaal onderzoek.

Onderzoek & cijfers
Nieuwe cohortstudie: autistische meisjes beginnen minder vaak aan puberteitsremmers of hormonen, bij meer psychische problematiek
Een Israëlische cohortstudie onder 786 jongeren van een nationale verwijskliniek voor genderzorg vindt dat autistische meisjes significant minder vaak aan puberteitsremmers of hormonen beginnen dan hun niet-autistische leeftijdgenoten, terwijl autistische jongeren vaker kampen met angst, ADHD en medicatiegebruik. De onderzoekers noemen dit een ongelijkheid en pleiten voor (vertaald) 'autisme-geïnformeerde' protocollen — maar is meer toegang wel de juiste conclusie?

Onderzoek & cijfers
Canadese genderkliniek-studie over autisme krijgt methodologische kritiek in vakblad
Een dossieronderzoek bij de grootste publiek gefinancierde genderkliniek voor volwassenen van Canada vond meer genderdysforie-diagnoses en meer psychische diagnoses bij volwassenen met een autismediagnose. Drie Canadese onderzoekers vragen in een ingezonden brief om een voorzichtige lezing van die uitkomsten; de auteurs houden vast aan hun hoofdconclusies.

Onderzoek & cijfers
Nieuwe review: autisme oververtegenwoordigd bij genderdysforie én bij transgenderklinieken
Een Poolse literatuurreview (2026) bevestigt dat autisme vaker voorkomt bij mensen met genderdysforie én bij bezoekers van genderklinieken, en pleit voor training van behandelaars. De review noemt zelf verhoogde risico's op angst, depressie en zelfbeschadiging, maar verbindt daaraan vooral de conclusie dat de autonomie van patiënten gerespecteerd moet worden en dat zij mee moeten beslissen over hun behandeling — niet dat er eerst zorgvuldiger gekeken moet worden.